Niet verzoening tussen zwart en wit, maar verzoening met het slavernijverleden zelf. Dat is volgens NiNsee-directeur Bianca Groen Gallant de opgave waar Nederland voor staat in de aanloop naar Ketikoti. ‘Ik ben in Nederland omdat mijn land Suriname gekoloniseerd is.’
Bianca Groen Gallant zet een tas op haar bureau met een cadeau uit Accra, voor een collega meegenomen. Ze is een week weggeweest. Her en der staan er dozen in het kantoor. Programmaboekjes en ander materiaal voor de jaarlijkse Nationale Herdenking Slavernijverleden op 1 juli in het Amsterdamse Oosterpark.
Het kantoor van het Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis (NiNsee) ademt de nabijheid van Ketikoti, wat ‘ketenen verbroken’ betekent in het Sranantongo, de creoolse taal van Suriname. Het is de dag dat de afschaffing van de slavernij wordt herdacht en gevierd.
Groen Gallant (61) is net terug van een conferentie in de Ghanese hoofdstad Accra. Op uitnodiging van president John Dramani Mahama kwamen onder andere Afrikaanse en Caribische leiders bijeen voor een conferentie over herstel.
De Ghanese president Mahama had op 25 maart een resolutie ingediend bij de Verenigde Naties, waarin de trans-Atlantische slavenhandel wordt bestempeld als ‘ergste misdaad tegen de menselijkheid’.
Honderddrieëntwintig landen stemden voor. De Verenigde Staten, Israël en Argentinië stemden tegen. En 51 Europese landen, waaronder Nederland, onthielden zich van stemmen.
Naast politieke leiders waren ook gemeenschappen en instellingen als NiNsee aanwezig.
‘Wat ik mooi vond was dat alle delen van de driehoek van de trans-Atlantische slavenhandel aan tafel zaten: Afrika, het Caribisch gebied en Europa’, zegt Groen Gallant. ‘Ze waren verenigd rond één woord: herstel.’
Op de agenda
Groen Gallant is sinds drie maanden directeur-bestuurder van NiNsee en daarmee de eerste vrouwelijke bestuurder. Het thema slavernijverleden reist al veel langer met haar mee. Bij de Protestante Kerk in Nederland (PKN), waar ze vicepreses was, zette ze zich jaren in om het slavernijverleden op de agenda te krijgen. Dat deed ze ‘omdat het thema nog niet een gedeelde was’.
‘Het onderwerp hangt nog te veel aan individuen, aan personen die het belangrijk vinden’, zegt ze. ‘Gelukkig heeft de Protestantse Theologische Universiteit (PThU) een onderzoeksproject ‘Kerk en Slavernij’. Er wordt onderzoek gedaan naar de historische rol van de kerk in de Oost en de West.’
‘Ketikoti is geen historisch moment alleen. Het is een spiegel voor onze samenleving.’
Binnen de PKN voelde ze zich ‘Bianca van het slavernijverleden’. Daar was ze niet altijd even blij mee, geeft ze aan, maar nu koestert ze het. ‘Ik doe dit werk niet alleen dankzij mijn voorouders. Ook dankzij mijn voorgangers die de weg hebben vrijgemaakt.’
Herdenken en vieren
Voor Groen Gallant heeft Ketikoti – of Dia di Abolishion in het Papiaments, de taal van Aruba, Bonaire en Curaçao – verschillende lagen.
‘Het gaat over herdenken én vieren. Stilstaan bij het immense leed van het slavernijverleden en de doorwerking daarvan tot op vandaag. Máár ook de veerkracht, waardigheid en cultuur van mijn voorouders eren.
Wat mij het meest raakt is de erkenning: gezien worden in de geschiedenis én in het heden. Ketikoti is geen historisch moment alleen. Het is een spiegel voor onze samenleving.’
Waarom is Ketikoti ook voor witte Nederlanders relevant?
‘Omdat wij als samenleving verder willen komen. De wereld is veranderd. Vluchtelingen en mensen met een andere huidskleur wonen hier. We zullen met elkaar moeten samenleven. We komen er niet onderuit.
Ik ben hier omdat mijn land Suriname gekoloniseerd is. Daarom ben ik in Nederland en niet bijvoorbeeld in België. De slavernij heeft Nederland veel gebracht, maar daarmee heb je als staat ook een verantwoordelijkheid naar de mensen die nu hier zijn.
‘Mensen zijn ontvoerd. Hun naam is ontnomen, hun families zijn ontvoerd.’
Als mensen tegen mij zeggen: ‘’wij zijn toch kinderen van turfstekers’’, dan gaan zij voorbij aan wat de slavernij werkelijk was.
Mensen zijn ontvoerd. Hun naam is ontnomen, hun families zijn ontvoerd. Ze werden over de zee gebracht als goederen. Ze werkten op plantages die onze economie groot maakten. Als we dat niet erkennen, blijven achterstelling en racisme voortbestaan. Zwarte mensen gaan niet weg.
Door samen te herdenken, werken we aan een herinneringscultuur voor iedereen.’
Er zijn witte christenen die bij dit onderwerp schuld of schaamte ervaren. Herkent u dat?
‘Ik begrijp die plaatsvervangende schaamte. En ook het gevoel van: ik wil me niet schuldig voelen. Dat hoor ik vaak. Deze gevoelens horen hier ook bij en moeten serieus genomen worden. Maar ik kan ze niet weghalen. Ze verdwijnen pas als de bewustwording groeit en er meer erkenning komt. Wat ik nog wel wil zeggen is dat niemand van ons een directe dader of een direct slachtoffer is.’
Nederland onthield zich dus van stemmen bij de VN-resolutie. Wat zegt dat?
‘Een heleboel. Toenmalig premier Mark Rutte maakte namens de regering excuses voor het Nederlandse slavernijverleden. De koning maakte ook excuses en vroeg om vergiffenis. Dat is geaccepteerd, onder meer in Suriname. En dan vervolgens niet meestemmen bij de VN-resolutie. Dat was heel teleurstellend.
Zeker voor ons als instituut, omdat we relationeel redelijk aangehaakt zijn bij de Rijksoverheid. Om dan het nieuws via de pers te horen in plaats van via onze directe lijnen. De mensen uit de gemeenschappen, de mensen om wie het gaat, waren geschokt.’
Hiërarchie van leed
‘Een week later zaten we met een aantal bestuurders, waaronder NiNsee aan tafel met onder andere premier Rob Jetten en minister van Buitenlandse Zaken Tom Berendsen’, vervolgt Groen Gallant.
‘De minister gaf aan dat Nederland als staat niet kon meegaan in een hiërarchie van leed. Terwijl dat wat ons betreft een excuus is. Je kunt zeggen dat je het niet eens bent met die hiërarchie en alsnog voor stemmen met een kanttekening.’
Ze vindt dat Nederland voorop loopt als het gaat om herstel. ‘Er zijn excuses gemaakt en er wordt oprecht gekeken naar hoe nu verder. Juist daarom had Nederland bij de resolutie ook het voortouw kunnen nemen door misschien wel als enig Europees land voor te stemmen. Een gemiste kans.’
Hoe ziet uw werk bij NiNsee eruit?
‘NiNsee bestaat volgend jaar 25 jaar. Het is een instituut dat is wegbezuinigd en waarvan men met alle mogelijke middelen heeft geprobeerd het bestaansrecht te ontnemen. Dat mijn voorgangers het al die tijd overeind hebben gehouden, vind ik heel krachtig.
Ik kom in een instituut dat gegrond is in de gemeenschappen. Tegelijkertijd zijn we afhankelijk van de Rijksoverheid. Dat spanningsveld is mijn dagelijkse realiteit.
Wij maken van onderuit impact, gedragen door de gemeenschap. Volgend jaar krijgen we een leerstoel aan de Universiteit van Amsterdam. Dan kunnen we echt een onderzoeksinstituut worden. Eerdere jaren waren we vooral gericht op geschiedenis. Nu gaat het om herstelrecht, wat we reparatory justice noemen.’
Wat betekent herstel concreet?
‘Herstel is niet één ding. Het begint met erkenning en gerechtigheid. In Ghana zag je een begin hiervan: de Nederlandse ambassadeur bood een boekwerk aan met tweehonderd artefacten die worden teruggegeven aan Afrika. Dat is herstel van erfgoed. Een directe handeling, meteen zichtbaar.
Maar herstel gaat verder dan dat. Het gaat ook om de mensen die nu nog op cacaoplantages het harde werk doen. Het gaat om de economische en politieke situatie van landen als Ghana en Suriname.
En het gaat om een mentale omslag. Ruim driehonderd jaar onderdrukking, een hiërarchie van onderdanigheid en superioriteit, dat doet iets met mensen. Met de slaafgemaakte en de slavenhouder.
Die doorwerking zie je tot op de dag van vandaag: in racisme, discriminatie en etnisch profileren. Dat herstel kost generaties. We hebben als NiNsee een lange adem.’
Welke rol ziet u weggelegd voor de kerk?
‘De kerk heeft alles in huis om mensen weer tot elkaar te brengen. De bijbel staat er vol mee: gerechtigheid, barmhartigheid, liefde.
Diaconieën kunnen daar een grote rol in spelen. Niet als onderdeel van de kerk die geld geeft, maar als instituut dat een maatschappelijke stem laat horen over dit verleden en de doorwerking ervan.
‘Verzoening is voor mij niet verzoenen tussen ‘zwart’ en ‘wit’. Het gaat om verzoening met dit verleden.’
Predikanten van nu waren misschien wel tegenstanders van de slavernij geweest. Dat weten we niet. Maar het is gebeurd zoals het is gegaan. Die verantwoordelijkheid voor wat voorgangers deden moet worden genomen. Dat is de weg naar verzoening.’
U spreekt over verzoening, maar tussen wie?
‘Verzoening is voor mij niet verzoenen tussen ‘zwart’ en ‘wit’. Het gaat om verzoening met dit verleden, met dit thema. Als je je ermee verzoend hebt, kun je zeggen: het is ook van mij. Als we daar samen kunnen komen, geeft de kerk daarin een voorbeeld. Dat is altijd mijn droom geweest.
Toen ik bij de PKN begon, waren er ongeveer 1,7 miljoen leden, nu zijn het er 1,4 miljoen. Als die 1,4 miljoen gelovigen dit thema adopteren, werkt het door in werkkringen en families. Dan kunnen wij ambassadeurs zijn.
‘De kracht van onze voorouders om te overleven, helpt mij nog steeds.’
Dát zou de rol moeten zijn van de kerk, van kerkleden, van ons als christenen. De weg van Christus volgen, niet het verleden wegwuiven, niet de grootste willen zijn.
Ik denk dat het aan kerkleiders is om leiderschap te tonen. En dat zie je gelukkig vaker. Predikanten die dit thema oppakken en zichtbaar willen zijn. Dat is een goede beweging.’
Groen Gallant kijkt weer naar alle dozen in het kantoor. Komende woensdag is het 1 juli. ‘De kracht van onze voorouders, hun kracht om te overleven, dat helpt ons nog steeds. Dat kan ik niet onderschatten.’
Dit verhaal is geplaatst in het Nederlands Dagblad. Foto: Daphne Lucker

