Maddy Stolk

Schrijver Maddy Stolk ontdekte na de dood van haar ouders hoe Indische Nederlanders werden behandeld

Maddy Stolk groeide op met twee gezichten van hetzelfde oorlogstrauma. Haar vader vertelde honderduit over zijn jeugd in Nederlands-Indië. Als kind zag Stolk de gruwelijkheden achter zijn verhalen nog niet. Haar moeder zweeg in alle talen. Nu geeft ze haar ouders een stem. ‘Ik vertel het verhaal dat ze zo lang binnen hebben gehouden.’

‘Mijn ouders waren op hun eigen manier getraumatiseerd’, zegt schrijver Maddy Stolk (55). Ze geeft zaterdag de vrijheidslezing tijdens de Nationale Herdenking 15 augustus 1945 bij het Indisch Monument in Den Haag. 

Pas nadat haar beide ouders waren overleden en ze hun huis moest leegruimen, stuitte Stolk – toen 51 jaar – op familiegeheimen en op de benadeling die Indische Nederlanders ten deel viel.

‘Daar wist ik niet veel van’, zegt ze. ‘Totdat ik krantenknipsels van mijn vader vond.’ Ze laat een uitgeknipt artikel zien met de kop ‘Sociaal ongewenst’, over ‘Oosterse Nederlanders’.

‘Mijn vader had van alles over de geschiedenis bewaard. Zinnen uit de artikelen onderstreepte hij. Daarin kon ik zijn boosheid zien. Ik schrok van de vele verhalen. Het was niet fraai hoe er met Indische Nederlanders is omgegaan.’

Stolk schrijft romans over de Nederlands-Indische familiegeschiedenis en de doorwerking van oorlogstrauma. 

Haar debuutroman Soedah, laat maar is gebaseerd op haar eigen familiegeschiedenis. En begin dit jaar verscheen Waar wij altijd geweest zijn, een familiekroniek over drie generaties vrouwen van Indische afkomst. 

Een onheuse ontvangst

De ontdekking van haar vaders knipsels bracht haar bij een groter verhaal: de exodus uit Nederlands-Indië van mensen die daar hun leven niet meer zeker waren en naar Nederland kwamen.

‘In het rapport-Werner werd gesproken over het ‘Indo-Europese vraagstuk’ alsof deze mensen ergens geparkeerd moesten worden’, vertelt ze. Het rapport uit 1952 adviseerde de Nederlandse regering om de repatriëring van een groot deel van de Indische Nederlanders zo veel mogelijk tegen te gaan.

‘Venezuela werd geopperd. Ook de Balearen. Uiteindelijk kwamen ze naar Nederland en kregen ze hier een uiterst onheuse ontvangst, ver van het thuisland waar ze vandaan waren gehaald.’

‘In Nederland ontdekten ze dat ze hier niet gewenst zijn. Trauma op trauma op trauma. Hoe moet je daarmee omgaan?’

Stolk zucht. ‘De opdracht was om te assimileren: de eigen cultuur afleggen, niet meer Indisch mogen zijn. En dat kwam boven op de Tweede Wereldoorlog, de interneringskampen en de onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië die ze al achter de rug hadden. 

Uiteindelijk moesten ze hun geboortegrond verlaten, met niet meer dan één kist. Eenmaal in Nederland dachten ze: nu zijn we thuis. Om vervolgens te ontdekken dat ze hier niet gewenst waren. Trauma op trauma op trauma. Hoe moet je daarmee omgaan?’

Spannende jongensverhalen

De ouders van Stolk maakten allebei de Japanse bezetting van voormalig Nederlands-Indië mee, een bezetting die duurde tot de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945. Eerst als buitenkampers – mensen die niet in een Japans interneringskamp zaten. Later alsnog in Japanse interneringskampen.

Haar vader vertelde er voortdurend over. ‘Elk verhaal leidde met een U-bocht naar Nederlands-Indië’, zegt Stolk. Hij vertelde alsof zijn leven een zinderend jongensboek was.

‘Zo ging hij vroeger bij zijn oma op audiëntie, die in het sultanaat van Yogyakarta woonde. In een matrozenpakje, gepoetst en geboend, stond hij voor de troon. 

‘In welk kamp zat je precies?’, vroeg ik haar. Dan reageerde ze: “Maddy, niet van die rare vragen stellen.”

Voor zijn verjaardag kreeg hij dan een gouden muntstuk. Hij liep achteruit de zaal uit en het muntstuk werd meteen door zijn moeder ingepikt, die buiten stond te wachten. Het waren spannende jongensverhalen. 

Op diezelfde manier vertelde hij soms ook hele gruwelijke dingen die hem in het kamp waren overkomen. Als kind had ik niet door dat sommige van die verhalen echt vreselijk waren.’ In de Japanse interneringskampen waren onder andere honger, dwangarbeid en geweld een dagelijkse realiteit.

De moeder die zweeg

Haar moeder was het andere uiterste. ‘Zij vertelde helemaal niets.’ Stolk wist dat haar moeder ook een deel van haar jeugd in een Japans interneringskamp had doorgebracht. ‘Niet door de verhalen die zij hierover vertelde, maar vanwege haar gedrag.’ 

Zo was ze een klassieke hoarder: alles wat het huis ooit binnenkwam, ging er niet meer uit. Van babykleertjes tot bakjes van de afhaaltoko. 

‘Later ontdekte ik dat dit hoarden een bekend verschijnsel is onder mensen die in een kamp hebben gezeten. Het ging mijn moeder niet om het gebruik, het ging om het behouden. Het was verzamelen om het verzamelen. Háár zou niets meer kunnen overkomen – ze was op alles voorbereid.’

Trauma uit het kamp

‘Mijn moeder kon moeilijk zacht en zorgzaam zijn’, vervolgt ze. ‘Ze was wel zorgzaam, maar in de praktische zin.

Als ik ziek was, werd ze heel bang, want ziek zijn in een kamp betekende naar de ziekenboeg gaan, en vaak was het daarna einde verhaal. Mijn moeder voelde dat risico, en dan werd ze heel lief. Die lieve moeder wilde ik het liefst altijd. 

Ze probeerde altijd te voorkomen dat ik ziek werd, dus liet ze me in de zomer een wollen maillot onder mijn broek en een bivakmuts op mijn hoofd dragen.’

‘Dat stukje uit haar verleden bleef onaantastbaar, hoe ver weg ze ook was.’

In haar laatste jaren leed haar moeder aan beginnende alzheimer en zong ze vaak kinderliedjes in het Maleis. Stolk zag haar kans schoon om een vraag over vroeger te stellen.

‘”In welk kamp zat je precies?”, vroeg ik haar. Dan hield ze meteen op met zingen en reageerde ze: “Maddy, niet van die rare vragen stellen.”

Ze was even helemaal helder en begon kort daarna weer in het Maleis te zingen. Dat stukje uit haar verleden bleef onaantastbaar, hoe ver weg ze ook was. Zelfs in haar laatste levensfase kon je daar niet bij komen.’

Wat geef je door?

Stolk moest laveren tussen de uitersten van haar ouders. Ze groeide op in Heemstede en had een jongere zus, die op haar 29e overleed.

‘Ik voelde vooral de pijn bij mijn ouders en het verdriet. Ik probeerde mijn moeder vragen te stellen over het verleden, maar ik stuitte telkens op een muur van weerstand. Wij weten nu dat het goed is om erover te praten, het niet binnen te houden, maar dat was toen niet gebruikelijk.

Bij de tweede generatie, waar ik onder val, was de pijn zo groot dat vragen stellen niet lukte, of we kregen geen antwoorden.’ 

De derde generatie kon wel vragen stellen, want de relatie tussen grootouder en kleinkind is minder beladen dan die van ouder en kind, geeft ze aan. ‘Dat heeft voor een hoop beweging gezorgd. Het Indische verhaal is nu actueel: er worden kunstwerken, films en boeken over gemaakt.’

Zwijgen en moeilijke gesprekken

Nu Stolk zelf moeder is van een zeventienjarige dochter, wil ze de belastende kanten van haar erfenis niet doorgeven.

Ze noemt het zwijgen en de moeilijke gesprekken uit de weg gaan. ‘Je niet uitspreken en dan ineens ontploffen. Dat is geen gezonde manier om met je emoties om te gaan. Mijn dochter is hier veel beter in dan ik. Ze geeft op tijd haar grenzen aan. Ze spreekt zich meer uit, slikt iets niet in om de lieve vrede te bewaren.’

‘Mijn moeder riep altijd naar me: “Jij hebt niet in een jappenkamp gezeten.” Dan zei ik: “We zeggen nu Japanse interneringskampen.” Daar werd ze zo boos om. ‘Als kind had ik er last van, maar ik heb het mijn moeder nooit kwalijk genomen.

Ze riep dat naar me, omdat ze vond dat wat ik meemaakte niet erg genoeg was. Ik had het onbeschrijflijk goed in vergelijking met haar. Dat gevoel wil ik mijn dochter niet meegeven.’ 

Onwillekeurig geef je dingen door waarvan je je niet bewust bent dat je ze doorgeeft, stelt ze. ‘Soms glipt er iets tussendoor. Een keer zei mijn dochter dat ze ergens al twee jaar pijn had. Toen voelde ik me wel even een slechte moeder, omdat ik het niet doorhad.’

Veerkracht en verbondenheid

Tegenover die erfenis van trauma staat volgens Stolk ook een andere kant van de Indische cultuur. ‘We kunnen non-verbaal hele gesprekken met elkaar voeren. We kunnen mensen lezen en de sfeer proeven. Als ik ergens kom en ik voel een stresssituatie, ga ik staan waar het mogelijk uit de hand loopt om de boel te sussen. 

‘We zijn groepsgericht: iedereen hoort erbij en iedereen mag blijven eten.’

Onze cultuur heeft ook een enorme veerkracht. We zijn warm en gastvrij als je over de drempel stapt. En we zijn groepsgericht: iedereen hoort erbij en iedereen mag blijven eten. Je gaat sowieso niet zonder eten naar huis.’

Tegelijkertijd is het leed nog groot en is er volgens Stolk weinig erkenning geweest. ‘Herdenken blijft ontzettend belangrijk, opdat wij niet vergeten. We moeten de geschiedenis blijven vertellen, want wie zijn verleden niet kent, is gedoemd haar te herhalen.’ 

‘Aparte’ herdenking

Toch noemt ze de herdenking op 15 augustus apart. ‘We vieren in Nederland de vrijheid op 5 mei, maar op die datum in 1945 was nog niet het hele Koninkrijk der Nederlanden bevrijd. De koning is er elk jaar met Dodenherdenking bij op de Dam en dat vind ik ook volstrekt terecht. 

Maar bij deze herdenking bij het Indisch Monument is hij er maar één keer in de vijf jaar. Daarmee zegt hij iets, en die boodschap vind ik opmerkelijk en apart.’

Ze vindt het eervol om tijdens de vrijheidslezing het verhaal van haar ouders te delen. ‘Ik vertel het verhaal dat ze zo lang binnen hebben gehouden, met name mijn moeder. Om aan dat verhaal een stem te geven en ruimte voor te creëren. 

Ik zou willen dat mijn vader het nog had kunnen meemaken. Hij zou ontzettend trots zijn geweest. Ik geloof dat hij vanaf een wolk meekijkt.’

Dit verhaal is geplaatst in het Nederlands Dagblad.

Scroll naar boven